Ernest van Buynder, Voorzitter van de Vrienden van MHKA.

Inleiding bij de tentoonstelling MATERIA PRIMA,In Locus Solus, Antwerpen op 04.12.2010

Hoewel er direct na de oorlog in de Europese Kunst, behoudens de Cobra-beweging, nauwelijks sprake was van "innovatie", ontstond er in de jaren vijftig ook op ons continent, en zeker in BelgiŽ en Nederland meer en meer kritiek op de traditionele schilderkunst. De vreugde om de herwonnen vrijheid openbaarde zich vooral in de kunst: immers, als ergens absolute onafhankelijkheid mag worden verwacht, als ergens emoties zonder enige remming moeten kunnen worden uitgedrukt, dan is dat in de kunst.

Veel kunstenaars hebben zich in de jaren vijftig bevrijd van de eeuwenoude regels voor penseelvoering, kleurgebruik, compositie en voorstelling, die nagenoeg alle spontaneÔteit hadden gedood. De ontsnapping aan dit keurslijf bestond in een "onmiddellijk" schilderen, direct op het doek, zonder voorstudies en zonder correcties achteraf.

In 1952 verscheen van de hand van de Franse criticus Michel Tapiť het boek "Un art autre" over een andere kunst die zich wenste te ontworstelen aan traditionele schoonheidscriteria en de "goede" smaak. Het grote aantal aanduidingen voor deze "andere kunst" is overigens kenmerkend voor het enthousiasme dat haar ten deel viel. Naast de termen ontwikkeld door Michel Tapiť Art Autre en Art Informel spreekt men voor sommige subrichtingen over Art Brut (rauwe kunst), Tachisme (naar het Franse Tache = vlek) of het meer algemene Lyrische Abstractie, als tegenhanger van de geometrische abstractie. De zware impasto-werken worden dan weer materie-schilderkunst genoemd.

Enkele namen ter herinnering: de Fransen Jean Dubuffet, Jean Fautrier, Pierre Soulages en Georges Mathieu, Wols en Hans Hartung van Duitse afkomst, de van oorsprong Belgische schilder-dichter Henri Michaux, wiens werk recent getoond werd in het MuHKA in de tentoonstelling rond ďAnimismeĒ, de Italianen Emilio Vedova en Alberto Burri, de Spanjaarden Antonio Saura en Antonio Tŗpies, de Belgen Vic Gentils en Paul Van Hoeydonck.

En met de Nederlandse groep informelen uit de jaren vijftig wordt u vandaag op een schitterende wijze geconfronteerd. Ik ben de initiatiefnemer Franck Gribling dankbaar voor dit initiatief. Als kunstenaar, essayist en curator was hij een van de medewerkers aan de expositie "De informele Kunst in BelgiŽ en Nederland 1955 - 1960" in 1983 in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en het jaar later in het Gemeentemuseum Den Haag. Als toenmalig adjunct-commissaris-generaal voor de internationale culturele samenwerking was ik nauw betrokken bij de Vlaamse vleugel van dit project. De catalogus is een standaardwerk geworden met een inleiding van Henk Peeters en teksten van Jean Dyprťau, Freddy De Vree, Henk Overduin, Janneke Wesseling en van Franck Gribling.

Ik herinner mij de gesprekken met Bram Bogaert (į1922). Hij stelde me dat zijn werk uit de jaren vijftig onder invloed van Van Gogh en het Vlaamse expressionisme ontstond en in zijn materiewerken bediende hij zich van sombere kleuren en stucachtige texturen die doen denken aan maanlandschappen en gestolde lava.

Schitterend is hier het informele werk van de groep kunstenaars die later in 1960 samen met Jan Schoonhoven de Nederlandse Nul-groep zullen vormen: Jan Henderikse, Armando en Henk Peeters. De Nul-groep is een ander verhaal dat in een latere expo zeker aan bod zal komen. Armando's (1929) oeuvre in de jaren vijftig wordt sterk bepaald door "verscheurdheid" en zijn ervaringen in de 2e Wereldoorlog. Als jongen woonde hij dicht bij het kamp Amersfoort en moet hij in de bossen aldaar de vreselijkste dingen gezien hebben. Hij beschrijft zijn agressieve "peintures criminelles" als "Het hele niemandsland tussen schuldige schuld en schuldloze schuld".


Henk Peeters, Monotypes, 1959, MATERIAPRIMA, Dec.2010.nr.22

Henk Peeters (1925) maakte in de jaren vijftig ongeveer eenzelfde ontwikkeling door als Armando om zich in 1960 te ontpoppen als een zuivere Nul-kunstenaar. Van Henk Peeters ziet u een reeks schitterende tekeningen.

Van Jan Henderikse (1937) is er beneden in de kelder een sublieme reeks tekeningen uit 1957. Zijn informele periode was kort maar krachtig, met ook woest geschilderde materiedoeken.


Jan Henderikse, Exhibition of drawings, 1957, LocusSolus, Antwerp, Dec.2010

Op de expo ook enkele schilders die het Cobra-jargon vertegenwoordigden. Theo Wolvecamp (1925) was medeoprichter van de Nederlandse Experimentele Groep en werd daarna lid van Cobra.



Informele kunst is geen gesloten groep, maar eerder een bepaalde stijl en mentaliteit. Zo kan dit begrip ook wel worden gebuikt voor kunstenaars als Pieter Ouborg (1893) en Ger Lataster (1920). Ook Jan Cremer (1940) werkte aanvankelijk enige tijd informeel, vooraleer de pop-scene te betreden. Die informele doortocht geldt ook voor Pieter Engels, die later een rol zal spelen in de eerder conceptuele kunst in Nederland. Het is fijn hier informeel werk te zien van Rik Van Bentum en Cor de Nobel.



Ik heb Franck Gribling leren kennen via de expo in het Antwerps en Haags Museum. Zijn informeel werk is krachtig, rijk aan materie. De titel van zijn bijdrage in de catalogus vat uitstekend de huidige expositie samen: De informele kunst in Nederland, tussen Cobra en Nul.

Armando,Peinture criminelle,1957,MATERIAPRIMA,Locussolus,Dec.2010,nr.2


Armando, Paysage criminel, 1955, Expo MATERIAPRIMA, Locussolus, Dec.2010 nr.1


Rik van Bentum, Dreiging van boven,1960,MATERIAPRIMA,Dec.2010,nr.4


Pieter Engels, Geteisterd,1961 PRIMAMATERIA Locussolus,Dec.2010,nr.11


Franck Gribling Hommage &aemp; Tintoretto, 1957, Expo MATERIAPRIMA, LocusSolus, dec.2010


Franck Gribling, Espace gris, 1959, MATERIAPRIMA, Dec.2010 locussolus


Jan Henderikse, Z.T, 1957, MATERIAPRIMA, Locussolus, Dec.2010, nr.15